Eureka van eigen bodem
De geboorte van het toerisme in Valkenburg.
In mei 1885 berichtten diverse Nederlandse kranten over de oprichting in Valkenburg van een ‘vereeniging tot bevordering van het vreemdelingenverkeer’. De vereniging noemde zich ‘Het Geul-Dal’. De kranten waren over de oprichting geïnformeerd door onder meer het proefnummer van het Zomer-Weekblad dat Het Geul-Dal uitbracht. De Delftsche Courant wist daarom te melden dat het ‘doel van het blaadje is om meerdere bekendheid te geven aan het vele schoone dat in de omstreken van Valkenburg is te zien, en daardoor hen die de zomermaanden een tijd lang in Duitschland, Frankrijk en België gaan doorbrengen, te trachten over te halen ook eens de frissche berglucht van Limburg’s zuiden te komen inademen’. De ingeving om ‘Het Geul-Dal’ op te richten was een eureka-moment met verstrekkende gevolgen.
Dat in Valkenburg de eerste VVV (Vereniging voor Vreemdelingenverkeer) van Nederland werd opgericht is niet zo vreemd. Toen het toerisme nog in de kinderschoenen stond, genoot Valkenburg al een zekere bekendheid. A.J. van der AA noemt Valkenburg in zijn Aardrijkskundig Woordenboek uit 1848 ‘een vlek, schilderachtig gelegen, waardoor het veelvuldig door vreemdelingen bezocht wordt’. De aanleg van de spoorlijn Maastricht-Aken in 1853 – met een station in Valkenburg; nu het oudste originele station van Nederland – en van de lijn Maastricht-Venlo in 1865 gaf het prille toerisme een impuls. Ook gepubliceerde sfeerimpressies, zoals die van Henricus Adrianus Banning, medeoprichter van de Katholieke Illustratie, in 1872/’73, en van de ‘wandelende dominee’ Jacobus Craandijk (1876-1882) brachten de schoonheid en het aparte, on-Nederlandse karakter van het Heuvelland onder de aandacht van een breder publiek. Banning vermeldde onder meer:
Jaarlijks komen talrijke familiën te Valkenburg om daar gedurende eenigen tijd het landelijk leven te genieten, en geen wonder, want de omstreken zijn zoo verrukkend schoon, de lucht is daar zoo zuiver, dat men er waarlijk over verwonderd moet zijn, hoe zoovele landgenooten in den vreemde kunnen gaan zoeken wat ons land in vollen rijkdom aanbiedt.
Naast het natuurschoon en de gezonde lucht waren de kasteelruïne en de mergelgrotten sterke troeven van het stadje aan de Geul. Indertijd werd ook de naam Klein Zwitserland bedacht.
Op een gegeven moment kreeg een aantal mensen uit Valkenburg, onder wie de banketbakker, historicus en dialectoloog Theodoor Dorren, in de gaten dat toerisme het stadje een economische impuls kon geven. Tijdens de oprichtingsvergadering in ‘locaal’ Walram op 22 februari 1885 werd gesteld dat ‘Valkenburg niet genoeg woekert met de schoone omgeving haar geschonken’. Men was de mening toegedaan dat gewerkt moest worden in de geest van Duitse ‘Verschönerungs-Vereinen, die trachten het reizend publiek tot zich te trekken’.
Het doel van ‘Het Geul-Dal’ trachtte men op diverse manieren te bereiken (afb. 3).
Het is bewonderenswaardig hoe professioneel de promotie werd aangepakt. In elk van bovengenoemde werkwijzen werd geïnvesteerd. Vooral de promotie door middel van ‘circulaires en advertenties en van de uitgave van een Zomerweekblad’ getuigt van een innovatieve geest.
De Hollandse toerist was voor Valkenburg de kip met de gouden eieren. De journalist Samuel Kalff herinnerde zich (in 1894) een Valkenburgse pensionhoudster die hem had gezegd dat het toerisme het stadje welvaart had gebracht:
De Hollanders, meneer, hebben Valkenburg gemaakt wat het is. Zonder den jaarlijksen toevloed uit Noord-Nederland zou er hier niet zoveel welvaart wezen en het kind niet zoo ras uit de lange kleeren zijn gegroeid. Ik heb dit plaatsje gekend als een Limburgch nest, bekend voornamelijk bij de paardentuischers [paardenhandelaren], die hier hun drukste markt uit de gansche provincie hebben. Er liepen toen meer varkens door de straten dan toeristen. En zie nu eens hoeveel winkels, hoeveel moderne huizen in de buitenwijken, hoeveel logementen inzonderheid. Ja, de spoorweg en de Hollanders hebben Valkenburg groot gemaakt.
1n 1889 werd op initiatief van vereniging Het Geul-Dal aan de voet van de Cauberg een door architect Pierre Cuypers ontworpen monument opgericht, ter herinnering aan ‘Hertogdom Limburg, vijftig jaar hereenigd met het Koninkrijk der Nederlanden 1839-1889’. Het lijkt bewuste strategie te zijn geweest om de verknochtheid aan het Huis van Oranje, in Limburg destijds geen vanzelfsprekendheid, te voeden en te koesteren. Door die aanhankelijkheid te betonen, voelde de Hollandse toerist zich eens te meer welkom in het stadje. Het vreemdelingenverkeer had de vaderlandse gevoelens in het plaatsje aangewakkerd. Gesteld kan worden dat het toerisme de integratie van Limburg in Nederland sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw heeft bevorderd.
Het succes van ‘Het Geuldal’ – in 1890 was het tussenstreepje weggevallen – moge blijken uit het grote aantal ‘reis- en wandelgidsen’ dat na de oprichting verscheen (afb. 1, 8) en uit de toename van het aantal overnachtingen. In 1885 werden circa 12.500 overnachtingen geboekt, in 1888 24.000 en in 1891 36.000. Tussen 1885 en 1900 nam het aantal families dat in de vakantieperiode (juni-augustus) in Valkenburg verbleef toe van circa 100 tot rond de 350. De gemiddelde verblijfsduur was dertien dagen.
Het toerisme in Valkenburg heeft zich diverse malen opnieuw moeten uitvinden (ofwel nieuwe eureka’s moeten zoeken). Toerisme is bij uitstek een dynamische sector. Stilstand betekent achteruitgang. Voortdurend moeten nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en trends in de gaten worden gehouden. Een belangrijke ontwikkeling in de (laat-)negentiende en twintigste eeuw was de min of meer opeenvolgende opkomst van de fiets, de autobus, de brommer, de personenauto en het vliegtuig. Deze ontwikkeling ging gepaard met een stijgende welvaart en een toename in vrije tijd (zeker vanaf de jaren 1950). Waar toerisme aanvankelijk een voorrecht was van de elite, heeft het zich ontwikkeld tot een recht voor de hele bevolking. Voor Valkenburg pakte deze ontwikkeling niet per se gunstig uit. Een reis naar het buitenland kwam binnen handbereik van elk gezin. Vanaf de jaren 1960 tijd maakten, naast dagjesmensen, jongeren het grootste deel uit van de bezoekers aan Valkenburg. Het liefst aten ze friet met een halve gebraden haan. Dit eetpatroon stond symbool voor de teloorgang van het eens zo chique maar toch ongedwongen Valkenburg van voor de Tweede Wereldoorlog. Maar Valkenburg heeft zich als toeristisch oord herpakt. En tegenwoordig wordt weer ingezet op exclusieve kwaliteit, met het accent op gezondheid en rust. De VVV van Valkenburg en andere gemeenten in het Heuvelland heet tegenwoordig ‘Visit Zuid-Limburg’. Ook als is ze bijna 140 jaar oud, de vereniging geniet nog lang niet van haar pensioen.
Het Historisch Centrum Limburg (HCL) beschikt over het archief van de VVV Valkenburg.
Literatuur:
Theodoor Dorren, Gedenkboek bij het veertig-jarig bestaan der vereeniging “Het Geuldal” te Valkenburg, 1885-1925
Antoine Jacobs en Harrie Leenders (red.), Limburg door vreemde oogen. Reisverhalen uit de 19de eeuw (2017 / 2022)
[Auteur: Frank Hovens]