Mergel
Wat alomtegenwoordig is wordt vaak voor lief genomen, ook al gaat het om iets heel bijzonders. Dat geldt bijvoorbeeld voor de mergel in Zuid-Limburg. Voor de bewoners van de streek is mergel een vanzelfsprekendheid, maar voor mensen uit andere delen van het land is het iets wat ze niet uit de eigen omgeving kennen.
Op veel plaatsen in het Heuvellandkomt mergel aan de oppervlakte. In de hellingen werden in vroeger eeuwen gangen gegraven. Deze groeves worden in de volksmond grotten genoemd. In de twintigste en eenentwintigste eeuw is de mergel in dagbouw gewonnen en zijn er grote kuilen in het landschap ontstaan; denk aan de ‘holle kies’ van de Sint-Pietersberg als gevolg van de afgravingen door ENCI.
Tot op de dag van vandaag doen wetenschappers (paleontologen, geologen) bijzondere ontdekkingen in de Limburgse mergel. We mogen het gesteente gerust een eurekaschat noemen.
Mergel is alleen al bijzonder omdat het zo goed als helemaal uit skeletmateriaal van (vooral hele kleine) zeedieren bestaat. En dat terwijl er in Zuid-Limburg geen zee te bekennen is! Dat was vele miljoenen jaren geleden, aan het einde van het geologisch tijdperk dat het Krijt wordt genoemd, wel anders. De laatste vijf miljoen jaar van dit tijdvak (145-66 miljoen jaar geleden) luistert wereldwijd naar de naam ‘Maastrichtien’, een benaming die te danken is aan de Belgische geoloog André Hubert Dumont, die in 1849 onderzoek deed in de omgeving van de Sint-Pietersberg.
Zuid-Limburg was gedurende het Maastrichtien een ondiepe, warme zee. Skeletjes en skeletfragmenten van dode zeedieren zonken naar de bodem en hebben op die manier de mergel gevormd. Bekijk een blok mergel maar eens goed, dan zie je dat het feitelijk een opeenstapeling is van kleine fossielen en fragmenten daarvan.
Limburg lag destijds trouwens ongeveer op de plek van de huidige Golf van Biskaje. Dat klinkt gek, maar het blijkt dat het aardoppervlak héél langzaam beweegt. De aardkorst bestaat namelijk uit een aantal platen (bijvoorbeeld de Afrikaanse plaat en de Euraziatische plaat), die tegen elkaar botsen of van elkaar ‘wegdrijven’. Deze ‘platentektoniek’ is zowel het gevolg als de oorzaak van diverse geologische processen.
Mergel is dus door zijn samenstelling al bijzonder. De fossielen erin zijn interessant om te bestuderen. Soms worden hele aparte exemplaren ontdekt. De meest spectaculaire vondst dateert al van de achttiende eeuw, de eeuw waarin de interesse in de natuurwetenschap sterk toenam. In 1778 werden in een flank van de Sint-Pietersberg restanten van een gigantisch fossiel gevonden, met name de schedel. De geleerden stonden voor een raadsel, want het ging om een onbekende soort. Uiteindelijk kreeg het beest de naam Mosasaurus, ‘Maashagedis’. De vondst is voor de wetenschap van grote betekenis geweest. Na bestudering van de fossiele restanten was de Franse geoloog en paleontoloog Georges Cuvier (1769-1832) ervan overtuigd dat dieren konden uitsterven, een gedachte die inging tegen het Bijbelse scheppingsverhaal, dat bij letterlijke lezing uitgaat van een onveranderlijke wereld. De visie van Cuvier is een van de bouwstenen geweest voor de in 1859 gepubliceerde evolutietheorie van Charles Darwin.
Het definitieve einde van het Krijt werd gemarkeerd door een enorme knal. 66 miljoen jaar geleden werd de aarde getroffen door een gigantische meteoor, een brok steen van zo’n 10 km doorsnede. Die sloeg met een snelheid van rond 20 km/s in op de plek van het huidige Mexicaanse schiereiland Yucatán. Een tsunami die zijn weerga niet kent overspoelde wereldwijd het vasteland. Desastreuzer nog waren de gevolgen van de grote hoeveelheden gloeiend heet puin en stof die de atmosfeer in werden geslingerd. Door de hitte ontstonden wereldwijd bosbranden. Gedurende een aantal jaren kon het zonlicht de aarde nauwelijks bereiken. Planten kwamen niet tot wasdom. De voedselketen raakte verstoord. Grote dieren als de dinosauriërs legden het loodje. Kleine zoogdieren wisten te overleven. Sterker nog, zonder concurrentie van de dinosauriërs konden de zoogdieren – en uiteindelijk ook de mens – verder evolueren. Met andere woorden: zonder deze oer-ramp had de mens niet bestaan.
Sporen van die verwoestende meteoorinslag zijn op enkele plekken in Zuid-Limburg terug te vinden in de vorm van een kleilaagje in de mergel, te zien bijvoorbeeld in de ondergrondse mergelgroeve van de Geulhemerberg [zie https://l1.nl/limburgse-rampen-centraal-tijdens-maand-van-de-geschiedenis-173538/ ]
Veel recentere vondsten in de Sint-Pietersberg betreffen de restanten van twee vogeltjes. Voor het oog een stuk minder spectaculair dan de Mosasaurus, maar voor de wetenschap evenzeer van enorme betekenis. Van de in 2000 ontdekte Asteriornis maastrichtensis kon worden vastgesteld dat die soort dicht bij de gemeenschappelijke voorouder van de kip en de eend stond, en de in hetzelfde jaar aangetroffen Janavis finalidens blijkt de jongst bekende vogel met tanden te zijn.
Voor meer informatie:
Juan Benito et al., ‘Cretaceous ornithurine supports a neognathous crown bird ancestor’, in: Nature, 612 (2022), 100-105. https://doi.org/10.1038/s41586-022-05445-y
Daniel J. Field et al., ‘Late Cretaceous neornithine from Europe illuminates the origins of crown birds’, in: Nature, 579 (2020), 397-401. https://doi.org/10.1038/s41586-020-2096-0
Ernst Homburg, ‘Wetenschapsbeoefening, 1750-1950’, in: Limburg: een geschiedenis III (2015), 355-394, i.h.b. 356-361, 373-375.
Frank Hovens, ‘Mosasaurus-mirabilia van kanunnik Joannes Theodorus Godding (1721-1797)’, De Maasgouw. Tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en archeologie 140 (2020), 88-97
John W.M. Jagt, ‘Luiks-Limburgse Krijtvogels. De stand van zaken’, in: Gea 53 (2020), 30-38.
John W.M. Jagt et al., ‘The Maastrichtian type area (Netherlands-Belgium): a synthesis of 250+ years of collecting and ongoing progress in Upper Cretaceous stratigraphy and palaeontology’. In: Renee M. Clary et al. (red.). Geology’s significant sites and their contributions to geoheritage. Geological Society (London), Special Publication 543. https://doi.org/10.1144/SP543-2022-232
Peggy Rompen, ‘Mosasaurus hoffmanni: de lotgevallen van een type-exemplaar’ (doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht 1995).
[Auteur: Frank Hovens]