18 december 2020
Blog

Vintage Kerstmis

In een nieuwe reeks gastblogs duiken historici aan de Universiteit Maastricht in de collecties van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Wetenschapshistoricus Joseph Wachelder bijt de spits af met zijn blog over Limburgse speelgoedfabrikanten.

Gastblogger Dr. Joseph Wachelder
Gaan we een vintage kerstfeest tegemoet? De voortekenen wijzen erop. Verre reizen en verplaatsingen worden ontraden. Samenkomsten mogen slechts een beperkt aantal mensen tellen. Restaurants zullen gesloten blijven. Kerstmis zal in 2020 in huiselijke kring, met een beperkt aantal familieleden of vrienden worden gevierd. Loont het dan nog wel om uit Ottolenghi te koken of zal Nederland op echt simpele klassiekers terugvallen? Zal dit jaar de fles der flessen die al jarenlang in de kelder ligt te rijpen op tafel komen, voordat het te laat is? Zal de oude kerstpuzzel van zolder worden gehaald met zijn nostalgische wintertaferelen, stadsgezichten of traditierijke winkels geschilderd door Anton Pieck? Vintage wordt gebruikt in uiteenlopende betekenissen: Een goede jaargang, nostalgie, een kostbaar erfstuk. Voor mij is de groeiende populariteit van vintage in de laatste decennia gekoppeld aan de opmars van ‘design’. Vintage objecten zijn te jong zijn om antiek te heten, waren ooit modern of nieuw en herbergen nu tegengestelde waarden van moderniteit en historiciteit in zich. Die bijzondere combinatie van eigenschappen – dichtbij en toch veraf – maakt vintage tot geliefde verzamelobjecten. Voor de één is dat tweedehands kleding (fashion), voor de ander analoge geluidsapparatuur, voor een derde speelgoed. Ook speelgoed kan vintage worden. En Kerstmis en speelgoed zijn nauw met elkaar verbonden. Onder de kerstboom horen pakjes, vaak met speelgoed voor de jeugd. Veel lezers zullen zich het speelgoed dat ze ooit met Sinterklaas of kerst hebben gekregen nog herinneren. Wellicht koestert u het nog steeds, of spelen uw kleinkinderen, neefjes of nichtjes ermee. Mijn vrouw en ik spelen geen Wordfeud, maar er is een gerede kans dat we in deze decembermaand Scrabble spelen op een vintage exemplaar, een erfstuk van mijn ouders, gefabriceerd door SIO, de Speelgoed Industrie Overijssel, in 1939 begonnen te Vroomshoop. Mijn ouders vertrouwden op SIO; met de houten SIO Montage heb ik menig uurtje zoet gebracht. Wie meer wil weten over SIO, of andere Nederlandse speelgoedfabrikanten, beveel ik Ellen-Wien Augustijn-Beckers’ Made in Holland aan, het beste naslagwerk dat ik ken over speelgoedfabricage in Nederland. Het boek zoomt in op de periode 1932–1970, wanneer de Nederlandse speelgoedindustrie opkomt en gaat bloeien. Made in Holland verraste mij door de veelheid aan speelgoedproducenten – hoewel de auteur niet de pretentie heeft volledig te zijn. Sterker nog, ze geeft aan dat er nog veel te onderzoeken en ontdekken valt. Een drietal kaartjes met de geografische spreiding van speelgoedfabrieken in achtereenvolgens 1940, 1950 en 1960 maakte me nieuwsgierig. Voor drie provincies staan op genoemde ijkpunten geen fabrieken ingetekend: Zeeland, Groningen en Limburg. Hebben deze provincies geen deel gehad aan de opmars van speelgoedfabricage vanaf de jaren dertig? Hadden deze grensprovincies minder last van de importbeperkingen uit het buitenland die tussen 1945 en 1950 golden? Augustijn-Beckers nuanceert de situatie wat betreft Limburg enigszins. In het overzicht van fabrikanten staat in Kerkrade WMP genoemd, vanaf 1949. WMP zou op enig moment de productie van sjoelbakken van Homas hebben overgenomen, een product waar dat bedrijf bekend voor stond. Homas, omstreeks 1932 opgericht door de heer Hommes in Assen, sloot in 1983 definitief haar poorten. Het archief van het SHCL leert dat WMP waarschijnlijk een verhaspeling is van WPM, de Werkvoorziening Particuliere Mijnen. Bovendien geeft Augustijn-Beckers (2007, p. 43) aan één categorie speelgoed buiten haar onderzoek te hebben gelaten. Namelijk afgeleide productie in de vorm van kleinere uitvoeringen of modellen, waar fijn mee te spelen viel. De poppen- en kinderserviesjes van Petrus Regout en later de Societé Ceramique zijn daar een treffend voorbeeld van. Een andere categorie die in Augustijn-Beckers’ overzicht grotendeels ontbreekt, zijn fabrikanten voor wie speelgoed een bijproduct vormde. Althans, dat concludeer ik na de SHCL-archieven doorzocht te hebben op de trefwoorden speelgoed en speelgoederen; de laatstgenoemde term was lange tijd gangbaarder. De verwijzingen die ik aantrof concentreren zich in de periode kort voor en na de Tweede Wereldoorlog. Mogelijk dat veel van die bedrijvigheid van korte duur is geweest. Voor de oorlog stuitte ik op Henri de Beaumont’s Metaalindustrie NV (Beaumont, 1981), tot 1973 gevestigd aan de Meerssenerweg in Maastricht. Beaumont produceerde een breed scala aan producten, maar getuige de catalogi waren “[m]oderne stalen meubelen, stalen gezondheidsmatrassen [en] veerende bovenmatrassen” zijn specialiteit. Hij leverde ziekenhuisbedden, schoolinventarissen, en kantoormeubilair. In de catalogi komt de aanprijzing “modern” regelmatig terug. De matrassen zullen voor het overgrote deel (hopelijk) zijn weggegooid, evenals veel van de eenvoudige bedden. Maar de kapstokken of slaapkamerensembles zullen liefhebbers als vintage aanmerken. Voor 1939 is een speciaalblad 56/8 uitgegeven voor de “Afdeeling Speelgoed”, met vlakdieren op wielen.  
Henri de Beaumont’s Metaalindustrie N.V. Maastricht. Nederlandsch Fabrikaat – Afdeeling Speelgoed
 Een andere treffer betrof de Maastrichtse Houtwaren- en Speelgoederenfabriek van P. H. Reinders uit 1938. Getuige zijn inschrijving in de Kamer van Koophandel was Reinders, woonachtig op Rechtstraat 52, al zakelijk actief in 1935. Maar zijn activiteiten op het gebied van de fabricage van speelgoederen dateert van eind 1938, begin 1939. Na een korte tijd actief te zijn geweest op Gubbelstraat 24, verhuist hij zijn fabriekje naar de Heugemerweg 11, later 22. Rond die tijd moet overigens ook een andere “Limburgsche Speelgoederenfabriek”, “Epeka” genaamd, gevestigd zijn geweest aan de Gubbelstraat (ETIL, 1941, p. 128 en 188). Het archief van de Limburgse ontwikkelings- en investeringsmaatschappij (LIOF) geeft inzicht in de machines die Reinders aanschaft, de lokale verkopers van zijn producten, maar ook in de producten zelf. De houtwaren betreffen in die dagen onder andere bloemenstandaards, kapstokken, veldstoeltjes, wandplaquettes, consoles voor heiligenbeelden en pijpenrekjes. Als houten speelgoederen worden genoemd: paardjes, karretjes, winkeltjes, “teekenbordjes”. In een rapportage over Reinders, gedateerd 29 september 1938, ziet het Economisch Technologisch Instituut in Limburg (ETIL) trouwens mogelijkheden voor een uitbreiding van de Nederlandse speelgoedindustrie. Zij memoreren dat slechts een achttal fabrieken actief zijn in Nederland, waarvan één gevestigd in Venlo. Namen worden daarbij niet genoemd. De Haagsche Courant maakt in 1931 melding van een zware brand in de Speelgoederenfabriek van Van Keeken aan de Heutsstraat te Venlo (Zware brand te Venlo, 1931, 20 januari).  Na de oorlog ziet exportmaatschappij NV Ribu nog meer kansen om Nederland in een “Speelgoedland” om te toveren. Een sterke export van speelgoederen van Nederlands fabricaat zou het land er weer bovenop kunnen brengen.  
Omslag folder van N.V. “Ribu”
 Het archief van het ETIL, toentertijd gevestigd aan het Sint Servaasklooster 39 te Maastricht, bevat correspondentie van fabrikanten die overwegen metalen speelgoed of poppen te gaan produceren. In hoeverre die plannen gerealiseerd zijn is niet bekend. Maar er worden ook ondernemers genoemd die daadwerkelijk speelgoed produceerden. Zoals de gebroeders Van de Vinne die in december 1945 aan de Ottostraat 5 in Venlo-Blerick met 50 personeelsleden naast metalen veiligheidsscheerapparaten, rijwielbellen ook “metalen gegoten kinderspeelgoed” vervaardigden, zoals racewagentjes en vliegtuigjes. De Heer van der Mast hield kantoor aan de Heerderweg 16a in Maastricht voor zijn Maastrichtse Houtverwerkingsbedrijf en Speelgoedfabriek “Vici”, opgericht na de bevrijding in 1944. Met 25 mensen in dienst vervaardigde hij houten speelgoed en kleine huishoudelijke artikelen, zoals pollepels en droogrekjes. Dit alles speelt zo’n 75 jaar geleden. Lokale producenten uit die tijd worden makkelijk over het hoofd gezien. Nu zijn lokale producten, voedingsmiddelen uitgezonderd, vrijwel geheel uit het straatbeeld verdwenen. Zullen we over 25 jaar nog nieuwe vintage hebben? Wat zou daar dan in aanmerking voor kunnen komen? Mocht u aan de kerstdis wat te binnenschieten, houd ik mij aanbevolen, ook voor historische aanvullingen of persoonlijke herinneringen. jo.wachelder@maastrichtuniversity.nl  Archivalia: Rijksarchief Limburg 07.209. Kamer van Koophandel te Maastricht, 5164 Handelsregister 1921–2003. P.H. Reinders Dossier nr. 5765. SHCL EAN_0456, NV Industriebank LIOF, voorheen NV Industriebank in Limburg, werkmaatschappijen en gedeponeerde archieven, 1927-2007. Kredietaanvragen, 1935–1974.230 Houtwaren- en speelgoederen fabriek Reinders, Maastricht, 1938–1940. SHCL EAN_0456, NV Industriebank LIOF, voorheen NV Industriebank in Limburg, werkmaatschappijen en gedeponeerde archieven, 1927-2007. Kredietmappen, 1937–1973. 380 Houtwaren- en Speelgoederenfabriek P.H. Reinders, Maastricht, 1941–1943. SHCL EAN_0494, Henri de Beaumont's Metaalindustrie NV en voorgangers te Maastricht, 1883–1973, 156 Prijscouranten, prijslijsten, folders en dergelijke van stalen meubelen 1935–1940. SHCL EAN_0605, NV Economisch-Technologisch Instituut in Limburg (ETIL), 1949-1970, 271, Speelgoed, 1945–1946.   Literatuur: Augustijn-Beckers, Ellen-Wien (2007). Made in Holland: Nederlands Fabrikaat Speelgoed 1932–1970. Tilburg: Poppen- en Speelgoedmuseum Tilburg. Beaumont, J. M. L. A. de (1981). Bedrijfsgeschiedenis Henri de Beaumont’s Metaalindustrie N.V., Maastricht, 1883–1973. Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg, 26, 63-87. ETIL, Economisch Technologisch Instituut in Limburg (1941). Producten der Limburgsche industrie: Resultaten eener enquête, ingesteld door het Economisch Technologisch Instituut in Limburg, naar de producten der Limburgsche industrie. tweede uitgave. Maastricht: Fa. Boosten & Stols. Zware brand te Venlo (1931, 20 januari). Haagsche Courant, vierde blad, p. 2.